Eenvoudige invuloefening

verwaarloosde tuinHet had te lang geduurd, vond ze. Eerder zag ze nog wel eens de buurman, die zijn witte keffertje uitliet. Een glimp van de buurvrouw die de stofdoek uitklopte. Maar al weken leek het uitgestorven bij de buren. Er klonken geen kribbige, ruziënde stemmen meer. De gebruikelijke etensluchtjes had ze al tijden niet geroken. Het ziekelijke hoestje van de buurvrouw niet gehoord. De auto stond niet meer op de vertrouwde plaats in de straat. De gordijnen bleven dag en nacht gesloten. De voortuin veranderde zo langzamerhand in een wildernis. Nee, ze vertrouwde het totaal niet.

Aanbellen was niet zo’n goed idee, wist ze uit ervaring. Te vaak was zij door de altijd geïrriteerde man geschoffeerd. Ze mochten haar niet zo. Eigenlijk mochten ze niemand uit het knusse jaren tachtig buurtje. Ze waren buitenbeentjes en stelden zich ook zo op. Ze leefden hun eigen leven in hun eigen wereldje. Met niemand iets te maken, wel zo rustig.

Op een mooie maartse middag toen zij met haar breiwerk in de tuin zat, hoorde ze dat de achterdeur bij de buren van het slot werd gedraaid. Uit het gekuch kon ze opmaken dat het de buurman was, die zich in de tuin waagde. Hij scharrelde wat rond in de schuur en veegde het straatje aan. Heel gewone handelingen eigenlijk. Maar het gaf haar een unheimisch gevoel.

De dagen die volgden hield zij scherp in de gaten of ze iets hoorde of zag. Als ze de deur uitging en langs het huis liep, zag ze de gordijnen bewegen: ze werd bekeken. De overburen, dacht ze, misschien hebben die iets gezien. Op haar vraag kreeg ze een ontkennend antwoord, maar men deelde in haar zorgen. Zo langzamerhand begon het rond te zoemen in het buurtje.

Op een ochtend werd een gedeelte van de straat met rood/wit lint afgezet. De politie liep af en aan. Ze begreep dat haar unheimische gevoel terecht was geweest.

Ze wilde niet thuis blijven. Snel pakte ze haar fiets uit de schuur. Toen ze door het steegje reed, moest ze plotseling remmen voor een klein wit hondje. Het wurmde zich grommend tussen de verrotte planken van de schutting door. Haar hart stond bijna stil, toen ze zag wat hij tussen zijn kaken meezeulde.

De foto komt van het internet.
——————————————————————————————————————–

Precies een jaar geleden: Blauw meisje

Advertenties

Kaardenbol

DSC05746

Statig en stijf rechtop
De stekelige stengel langgerekt
Verheven boven het kleine grut
In de zomerse tuin
Vangt zij de stralen van zon en regen
De zachtlila bloempjes in kransen

Vanuit het midden
Bloeit zij in fasen
Niet te veel ineens
Beheerst, bedachtzaam bijna

Gezweef en gezoem rondom
Ze weten haar te vinden
Vlinders, hommels, bijen
Terwijl deze zich wijden
Aan de magie van het leven
Bestuiven, bevruchten
Begerig naar nectar
Vinden in bladerbekkens
In verzameld regenwater
Vele vliegers en kruipers
De dood

Ook zij sterft tenslotte
Barstensvol zaden
Vogelverwennerij

Door de wind geschud
Verspreidt zij haar nageslacht
Over de donkere, koude aarde
Geknakt, niet gebroken

De toekomst is dichterbij
Dan gedacht
Leven genesteld in dood

DSC09030

——————————————————————————————————————

Een jaar geleden mijn eerste blog: Sneeuw, http://wp.me/s36K0e-sneeuw

Van de straat

tuin-bankjeHet gat in de heg was net groot genoeg om doorheen te kruipen. Ze trok de rugzak, die nog op de stoep lag, naar zich toe. De oude, rommelige tuin was een oase van rust vergeleken met de drukke straat. Ja, ook zo vroeg al; het was pas zes uur. Veel mensen waren al op.

Ze bukte voor een lange, doornige uitloper van de rozenstruik, stapte over de hoge varens heen. Ze snoof diep: heerlijk rook het hier. Dit was haar plek, besloot ze, terwijl ze ging zitten op het oude witte bankje voor het bouwvallige huis, dit zou ze aan niemand verklappen. Ze trok haar benen op en legde haar kin op de knieën. De zon wierp lange schaduwen. Het zou weer een warme dag worden.

Af en toe keek ze verwachtingsvol in de richting van het gat in de heg. Nog steeds niets. Waar bleef hij nou? Hij was nooit zo laat. “O”, dacht ze, “waarom mag hij niet gewoon thuis komen?” Maar nee, haar ouders waren er fel op tegen. Een zwerver, dat kon toch niet. Wat zouden de buren ervan zeggen?

Plotseling hoorde ze een bekend geluidje. En daar zag ze zijn krullenbol al door het gat steken. Vrolijk kwam hij naar haar toe. Ze kroelde hem door zijn warrige haar. Wat hield ze toch veel van hem.

Van het geld dat ze met haar krantenwijk verdiende had ze iets lekkers voor hem gekocht. Ze leegde haar waterflesje voor de helft in de gebarsten kom die ze achter het huis had gevonden. Eerlijk delen.

Ze zou meer doen, besloot ze. Zijn gezondheid was niet best. Die schurftige huid…. Morgen zou ze een afspraak maken bij de dierenarts. Als hij er wat beter uitzag, zou ze bij haar ouders nog eens een poging wagen.
“Wie weet, Boris.”, fluisterde ze in zijn vacht.

——————————————————————————————————————-

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijf-uitdaging van Plato. De opdracht is: Schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin het woord waar het om gaat niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: verwaarlozen.

De foto komt van het internet.

*******************************************************************************************************************
Meer WE-300 verhalen lezen? Klik op deze link: https://ajroc.wordpress.com/category/we-300/

Mijn schepping

De zwarte aarde is nog woest en ledig
Een grote chaos op het kleine stukje land    
Er zijn nog geen creërende gedachten
Gereedschap ligt nog doelloos aan de kant

Nu eerst het water en de aarde scheiden
Een bedding maken voor wat groeien moet
De vette klei zal zich gewonnen geven
En maakt het harde werken goed

De zon dringt langzaam door de wolken
De maan vervaagt, een zachte wind steekt op
Ik heb zojuist de laarzen aangetrokken
En neem de eerste aarde op de schop

Degene die niet werkt zal ook niet eten
Dus spit en hark ik, leg de nieuwe zaden klaar
De rug gekromd, de handen uit de mouwen
En dromend van een goede oogst dit jaar

DSC04298

Het laatste woord

Heel goed herinner ik mij het huisje, vlak bij de Rijn, waar mijn opa en oma van vaders kant woonden. De speciale geur die er hing kan ik nog oproepen: het was de geur van warmte en welkom. De tafel met het donkerbruine leerachtige kleed, midden in de kamer. Opa’s stoel, bij het raam. Het kolenkacheltje. Het boekenkastje aan de muur met het gordijntje ervoor, waarin de bijbel en de gezangboeken stonden. Het keukentje met alleen een koude kraan. De slaapkamertjes boven.

DSC00784

Achter het huis was een grote tuin. Groter dan de oppervlakte van het huis. Mijn opa had er zijn moestuin. Een aardappelveldje. Snijbonen groeiden langs staken omhoog. Het duidelijkst in mijn herinnering zijn de aardbeibedden. De lekkerste aardbeien groeiden er, diep donkerrood en ze geurden je tegemoet. Zo zie je ze tegenwoordig niet meer. Je mocht er je boterham dik mee beleggen. Goudsbloemen bloeiden er volop. De geur, die aan je vingers blijft hangen wanneer je een boeketje voor oma hebt geplukt; heerlijk vond ik die – en nog steeds. En de zoete geur van de Jugendstilbloem bij uitstek, de Oost-Indische kers, zal mijn hele leven met me mee gaan. In oma’s gedeelte van de tuin stond een rek, waarop de kleden werden geklopt. En er was ‘de bleek’, het grasveldje waar de natte lakens in de zon werden gelegd. Herinneringen aan warme zomers. De verjaardag van oma, de geur van zelfgebakken stroopwafels. Hoewel zuinigheid troef was, werden die wel met roomboter gebakken. En voor dezelfde gelegenheid, de geur van zelfgekookte borstplaat.

Goede herinneringen worden opgeroepen door een geur; hebben daar een verbinding mee. De enige vervelende herinnering die ik aan deze bezoekjes heb, niet.

Na het middageten las opa uit de bijbel. Altijd. Ook als wij met veel nichtjes en neefjes aan tafel zaten. Vaak begrepen wij er niet veel van en was het moeilijk om niet af te dwalen. Toch moest je zorgen dat je erbij bleef. Na het lezen keek opa de kring rond, liet zijn blik op iemand rusten en zei: “Het laatste woord.” De spanning die je voelde, de opluchting als het gelukt was om het woord te herhalen, de blijdschap om opa’s knikje; geurloze herinnering.

DSC06536

Niemand zal ooit weten, wat opa’s laatste woord was. Na een kerkdienst liep hij naar huis. Veel auto’s reden er nog niet, begin jaren zestig. Hij heeft die ene auto niet gezien. Blinde vlek, zei de dokter. Dat vonden wij spannend klinken. Maar wat hadden wij die middag graag het laatste woord van de Bijbeltekst herhaald.

Vol gaat voor leeg

Compost in een kruiwagen scheppen is nog een hele kunst. Je kunt het met een vork doen, dat wordt aanbevolen, maar als onervaren tuinier merk je al snel dat dat niet zo eenvoudig is. En anders wordt het je wel duidelijk gemaakt: je bent niet sterk genoeg. Je bent ontmaskerd: een zwakke vrouw. Het is even slikken, maar als je die constatering rustig op je laat inwerken, dan bedenk je dat het je ook nog wel eens wat kan opleveren. En ja hoor, daar is al iemand die je zijn schop wil lenen.

Tien minuten voor één kruiwagen compost. Dat betekent: vanaf de tuin drie minuten lopen naar de enorme berg die op oranje dekkleden is uitgestort. Vier minuten scheppen, de kruiwagen zo vol mogelijk. Drie minuten duwen naar de tuin. Kruiwagen leegkiepen en het hele proces opnieuw. En zo twaalf ouwe-lullen-kruiwagens lang. Ja, onder deze compostvoertuigjes zijn twee extra wielen gelast. Dat zegt wat over de gemiddelde leeftijd van de tuinbezitter.

Tuin nummer 33 ligt behoorlijk achteraf. Het uitzicht op de begraafplaats is voor ons een voortdurend memento mori. Ja ja, maar voor het zover is, zullen we bonen gegeten hebben, piepers gerooid, peren gestoofd en bloemen in overvloed hebben zien bloeien. De druif zal prachtige trossen hebben voortgebracht en de potten bessengelei zullen in rijen in de kelderkast staan te pronken.

En wij? Ja, wij zullen blaren op de handen hebben, rouwranden onder de nagels, spierpijn in de ledematen, maar vooral zullen wij genieten van het voldane gevoel dat het werken in de tuin met zich meebrengt.

Zover is het nog niet. Hup! Over het bruggetje, dat steeds steiler lijkt te worden. Met volle kruiwagens die steeds zwaarder schijnen. En na twee uur heen en weer lopen vind je het helemaal niet erg om met je lege kruiwagen aan de kant te gaan voor iemand die met een volle aankomt. Soms ook nog met twee extra speciekuipen compost daar weer bovenop. Dat zijn de echte tuiniers, dat zie je zo. Wij kunnen daar niet aan tippen. Wij willen dat ook niet.

DSC02430

Ik krijg voorrang, als ik met mijn laatste volle kruiwagen de laatste bocht rond. Ik kieper hem leeg en zet hem terug in het schuurtje. Het wordt een mooi tuinjaar. We zullen oogsten wat we hebben gezaaid.

Roodborstje tikt

Nu het zulk koud weer is, met ijs op de sloten en sneeuw zover het oog reikt, is het belangrijk om de vogels bij te voeren. En ze laten het zich maar al te graag welgevallen. De eenden vechten om een lekker hapje. Daar raken ze bedreven in, want om het kwartier komt er wel iemand met een volle zak oud brood. De zwanen gedragen zich waardiger, maar halen hun snavel er niet voor op.

DSC06371

In de tuin wordt er alleen gekibbeld door de spreeuwen. Er kan er maar één tegelijk uit de pindakaaspot eten, maar ze willen het allemaal. Het recht van de sterkste heerst hier. De kool- en pimpelmezen halen acrobatische toeren uit aan de vetbollen. De kauwen pakken het handiger aan. Met hun snavel trekken ze de bol aan het touwtje omhoog tot op de tak, poot erop en smullen maar. De Vlaamse gaai heeft goed naar de kleintjes gekeken. Hij durft het aan om aan het snoer pinda’s te gaan hangen en ze zo open te breken. Je moet er wat voor over hebben. De merels scharrelen op de grond. Ze eten wat zaden en brood. Ook de havermout, die speciaal wordt gestrooid voor het roodborstje vinden ze heerlijk. De halve appel vindt gretig aftrek; ook daar wordt door de spreeuwen om geruzied. Toch is het al met al een vredig tafereel.

 DSC05378

Gistermiddag zat ik het allemaal eens te bekijken, toen het oude kinderliedje werkelijkheid werd. Had ik geen havermout gestrooid? Of was het al op? Het roodborstje fladderde zachtjes tegen de achterdeur op en tikte met zijn snaveltje tegen het raam.

Poezenpraat

DSC05899

In de buurt waar ik woon, wemelt het van de poezen. Zo’n jaren dertig wijkje met veel schuttingen en schuurtjes. Een poezenparadijs.

De stoere witte met een zwart petje scheef op zijn kop, de staart met het zwarte puntje brutaal in de lucht, balanceert zelfbewust over de smalle schutting. De grijze cyperse ligt op het schuurdak in de breihouding en houdt het vogelhuisje scherp in de gaten. Het jonge zwarte katje rent en vliegt en springt met vier pootjes tegelijk van de grond. Hij denkt nog dat hij met alle buurtkatten kan aanpappen. Ze zullen hem wel leren. De wollige schilpadpoes droomt bij het minivijvertje van een lekker hapje. Het enige lapje uit de straat loopt nuffig langs met de neus in de lucht; met dat gespuis wil zij zich niet inlaten.

En o, die leuke, domme rooie met zijn grote witte slab voor. Die vragende blik in zijn groene ogen. Rode katten vragen zich hun hele leven af, wat zij hier doen, terwijl het antwoord zo voor de hand ligt: onze ogen strelen.

Vertederend vind ik de oude grijze cyper met het rode bandje. Met enige regelmaat zit hij buiten in de vensterbank. Hij mauwt zachtjes, zie ik. Maar Pim komt niet meer buiten spelen. En Guus niet. En Koos en Muis evenmin. Zij spelen met zilveren opwindmuisjes, eten zalm uit gouden bakjes, slapen in bontgevoerde mandjes en weten zich eeuwig geliefd en gestreeld. Maar maak dat de kat wijs.

Sneeuw

DSC06403

De sneeuw maakt van de wereld een onrealistisch droomlandschap. Een witte wereld? Zeker, maar als je goed kijkt zie je zoveel tinten en schakeringen in die miljoenen sneeuwkristallen. Zoveel kleuren als de sneeuw heeft, zoveel emoties roept zij op.

Tien jaar geleden lag er sneeuw in februari. We kwamen ’s morgens heel vroeg uit het ziekenhuis, mijn broer en ik. Die nacht waren wij erbij toen onze moeder zich uit het leven worstelde, buiten adem raakte en uit de tijd. We zaten in ons ouderlijk huis aan de eettafel met een kop thee. De tuindeur stond op een kier. Het was stil. En ineens zong een merel zijn lied. De stilte scheurde uiteen. Alsof de kleine vogel alle troost die hij in zich had over de aarde uitstortte. Over ons. Langzaam werd het licht. De sneeuwklokjes in de tuin waren het tweede teken van hoop en vertrouwen. De winter was bijna voorbij. We besloten De Lente van Vivaldi op de crematie te laten horen.

Terwijl de lente schoorvoetend dichterbij kwam, wapenden wij ons tegen de kou. De kou, die in je komt, wanneer je moeder sterft. De kou die nooit helemaal verdwijnt.

Nu er weer sneeuw ligt en de winterkou in de botten kruipt, verlang ik naar de sneeuwklokjes. En ik wacht met smart op de eerste zang van de merel. Vivaldi is mijn bondgenoot.