Een bijzondere uitvaart

Neef Gerrit is dood. Dat mogen we best zo zeggen, want het is een feit. Net zo goed als het een feit is dat nog maar een half jaar geleden zijn zus, onze nicht A overleed. Natuurlijk, het staat ons allemaal te wachten, maar dat neef Gerrit, die stabiele factor in onze familie, nu zo onverwacht door Magere Hein (zijn geliefde uitdrukking) is gehaald, dat verwart en verdriet ons zeer.

Het afscheid vindt plaats in het prachtige Park Ockenburg. Goudgeel blad gloeit op in het licht van de laagstaande namiddagzon. Wat een mooie, stemmige dag voor een uitvaart. De vochtige aarde geurt. Bladeren dwarrelen traag naar de grond. Het bospad slingert tussen de bomen door naar het crematorium. De stemmen van de gasten klinken gedempt. Een enkele vogel laat zich horen. Hier voel je je getroost door de kracht van de natuur, die laat zien dat het einde onvermijdelijk is, maar dat het leven, op welke manier dan ook, doorgaat.

The Girl From Ipanema leidt ons in alle rust de zaal binnen. Het is er vol. Vanaf de foto op de kist kijkt Gerrit ons aan. De vriendelijke blik die wij zo goed van hem kennen. Witte bloemen. Op het scherm draaien foto’s die hij maakte van zijn riante uitzicht: prachtige zonsondergangen boven zee, bij alle weersomstandigheden. Schitterende wolkenluchten. Bijna wekelijks deelde hij die; daar keken we zelfs naar uit.

Maar wat wisten wij verder van hem? Dat hij een aardige, welgestelde, intelligente man was. Dat hij een ruim bemeten appartement bewoonde met uitzicht over Den Haag en Scheveningen. Dat hij graag verre reizen maakte. Maar hoe was hij echt? Wat bewoog hem? Over zulke dingen praatte je nooit. Wanneer je elkaar zo sporadisch ziet, is dat niet direct onderwerp van gesprek.

Nu gebeurt dus weer, wat al zo vaak gebeurd is: tijdens de uitvaart leer je iemand pas kennen. En heel vaak is dat een verrassende en boeiende ervaring. Als wij nichten al hadden gedacht (en dat deden we) dat hij wat vereenzaamd was, dan blijkt nu dat we er volkomen naast zaten. Er zijn veel sprekers, die graag het woord nemen en een bijzonder, opmerkelijk en levendig beeld schetsen van onze neef. Langzaamaan komt hij voor ons tot leven. Nu pas. En hoe! De toespraak van zijn beste vriendin verrast ons nog het meest. Zij vertelt, met een licht humoristische ondertoon, bijzondere verhalen over de bijzondere man, die zij zo goed kende. En die zij nu zo vreselijk mist.

Hij had een rijker sociaal leven dan wij voor mogelijk hielden. Hij was bij velen, terecht, zeer geliefd. Zijn – bewust gekozen – vrijgezelle staat belette hem evenwel niet een familieman te zijn, die genoot van alle activiteiten en festiviteiten die het gezin van zijn zus met zich meebracht. Hij maakte hier als (boomlange) ‘oompje’ regelmatig actief deel van uit en was voor zowel zijn nichtje als zijn neefje van grote betekenis.
Dat hij een bijzondere band met zijn nicht had, ervoeren we al bij haar crematie, een aantal jaren geleden, waar Gerrit in zijn toespraak refereerde aan de afspraak die ze hadden gemaakt: op zijn crematie zou zij een mooie toespraak te houden. Hoe anders is dit gelopen. Neef neemt nu de honneurs waar en spreekt met veel liefde en warmte over ‘oompje’.

Als wij nog even napraten, voelen wij ons behalve verdrietig ook gerustgesteld, zelfs bijna opgelucht, na alles wat we hebben gehoord. Onze aardige, bijzondere, onafhankelijke neef heeft een goed leven geleid. Eenzaam was hij niet.

Dan realiseren we ons opeens dat er nu aan de familie een heel gezin ontbreekt: oom, tante, nicht en tenslotte ook neef. En dat is wel bizar.

——————————————————————————————————————-

Over zijn nichtje (Groots en meeslepend): https://wp.me/p36K0e-DM
Over zijn zus (Nichtjes min een): https://wp.me/p36K0e-YK

Advertenties

Ships that pass….

boeket

De aula zit vol. Ik kijk naar het blauwe raam, dat van onder naar boven toe steeds lichter wordt van kleur. Aan de bomen die erdoorheen schemeren zit hier en daar nog een geel blad. Takken buigen, de regen striemt tegen het raam. Op en rond de kist golft een zee van kleurige bloemen. Hij hield van bloemen, stond er op de kaart. Dat hebben velen ter harte genomen.

Adios Nonino van Carel Kraayenhof vult de kille ruimte waar de airconditioning nog wat graden vanaf blaast. Ik sla mijn sjaal om en besluit me er verder niet aan te storen. De uitvaartleidster heeft de touwtjes stevig in handen en leidt ons op professionele wijze door dit moeilijke, maar onvermijdelijke halve uur. Twee toespraken, afgewisseld met muziek. Eenvoudig en sober. Passend bij degene om wie dit allemaal draait. Een gedicht, voor de achterblijvende echtgenote.

‘De Vlieger’ van André Hazes klinkt. De muziek heeft hij zelf uitgezocht, toen hij wist hoe hij ervoor stond. Ik dwing mezelf naar de tekst te luisteren en niet weg te dromen.

Zijn broer houdt een toespraak. Een terloops uitgesproken zinnetje blijft echoën: na een slechte jeugd….. De link met het verklonken lied is subtiel en onbedoeld, waarschijnlijk, maar maakt de treurigheid van het moment nog intenser.

Op verzoek staan we op en gedenken hem in stilte. Ik ben verbaasd over de enorme hoeveelheid gedachten die zich in zo korte tijd verdringen in mijn hoofd. Kende ik deze man? Ik kwam hem tegen op de volkstuin. Daarom ben ik hier. We maakten af en toe een praatje. Een aimabele man. Rustig en behulpzaam. Aardig en positief. Het klinkt als een dooddoener: ‘hij stond voor iedereen klaar’, maar het is een waarheid als een koe. Hij gaf mij een restje pootaardappels. Deelde gul uit van zijn oogst. Hij spoot de kruiwagens van de vereniging in vrolijke kleuren……

Door de woorden van de mensen die hem na stonden, door de muziek, door de tekst van zijn vrouw op de kaart, door de grote belangstelling, de kleurige ode aan hem rond de kist, lijkt het dat ik hem postuum nog een beetje leer kennen.

In het condoleanceboek zie ik weer de rouwkaart. In de rechterhoek op de voorkant zwemt een witte zwaan. Nee, denk ik dan, ik kende je niet. Maar je hebt me vanmiddag op de valreep een glimp van je wezen gegund.

Ships that pass in the night. Zo gaat het, in leven en dood.

Je pense que je suis

De illusie van het bestaan (Filosofie van de koude Zaanse grond)

DSC08543

Sommige dingen in het leven gaan ongemerkt. Zo waren er sinds 2009 alweer vijf jaar verstreken. Ja, logisch natuurlijk, maar het werd me extra duidelijk gemaakt toen de brief van de gemeente in de bus viel. Of ik wel wist dat mijn paspoort bijna was verlopen en dat ik een nieuwe nodig had. Ik wist dat niet, want zo’n document gebruik je niet dagelijks, maar ik nam het direct aan.

Een afspraak maken dus. Bij de gemeente, afdeling burgerzaken. Tegenwoordig komt daar geen telefoon meer aan te pas. Via de computer kom ik op een site, waar ik een keuze kan maken voor dag en tijd. Het valt mee: al over een week kan ik terecht.
Wat heb ik nodig? Mijn oude pas, pasfoto’s en geld. Makkelijk zat.
Makkelijk? Het oude paspoort ligt gewoon in het laatje. Er wordt verwacht dat ik pin, dus dat is ook geen probleem. Nee, de bottleneck zijn de foto’s. De fotograaf weet precies hoe de foto’s voor een paspoort gemaakt moeten worden, lees ik op de site. Gelukkig, denk ik. Want hoe is het nu: wel lachen, niet lachen? Een bril op, of juist geen bril? Oren vrij of niet?

Pasfoto’s. Bijna nog erger dan de tandarts. Maar vooruit, voor het goede doel. Zonder aarzelen loop ik naar de fotozaak waar ik altijd kwam, aan het begin van de winkelstraat. Hm, dat is jammer. Een groot bord op het raam meldt dat het pand te huur is. Aan het eind van de straat moet er ook nog een zijn. Een gerenommeerde zaak, waar ook dure apparatuur wordt verkocht. Luxe pasfoto’s. Ik verbaas me erover dat het pand er verveloos uit ziet. De kozijnen rotten weg. De etalage is bijna leeg, op een paar tweedehands camera’s na. Geen klanten, terwijl je anders altijd lang op je beurt moest wachten. Ook al op de nominatie om te verdwijnen. Maar ik heb geluk: pasfoto’s kunnen nog gewoon gemaakt worden. In een hokje achterin de zaak. Een blik in de spiegel ter controle. Ja hoor, kom maar op. Het worden drie foto’s met en drie zonder bril; het is op dit moment onduidelijk wat er gewenst wordt. Haar achter de oren, en zo’n blik van: laat maar over me heen komen. Ik stop het mapje diep onder in mijn tas. Voor overmorgen.

Anderhalve dag en een begrafenis later sprint ik op mijn fiets naar het nieuwe gemeentehuis. Ik voer mijn afspraaknummer in in de computer en het nummertje rolt eruit. Exact om tien uur ben ik aan de beurt. En om één minuut voor tien heb ik ontdekt dat mijn portemonnee nog in de tas zit, die ik gisteren mee had naar de uitvaart. Stom. Maar misschien hoef ik pas bij afhalen te betalen. Ik kijk naar het gezicht van de vrouw achter de balie: het staat op onweer. Het wordt er niet beter op, als ik opbiecht dat mijn portemonnee nog thuis ligt. “U kent dat vast wel”, zeg ik nog, inspelend op het vrouw zijn, “de verkeerde tas meegenomen.” Een mondhoek plooit zich in een zuurzoet lachje. Nee, denk ik, dat ken jij niet. Je bent vast geen tasjesmens. Je hebt er waarschijnlijk maar één. “Dan moet u een nieuwe afspraak maken”, zegt ze vinnig. “U moet namelijk bij aanvraag betalen.” Ik druip af. Vanavond heeft zij bij het avondeten een goed verhaal: zo’n stom mens vandaag aan de balie!

Op het plein voor het stadhuis is een straatveger in druk gesprek gewikkeld met een wat oudere man. “Hoe zie jij dat dan?”, vraagt die. “Nou”, zegt de man met het gele hesje, gesticulerend met zijn vrije hand, “het existentialisme, weet je wel? Je pense que je suis.”

Ja, denk ik, terwijl ik doorloop. Ongewild heeft deze man de spijker op zijn kop geslagen: Ik denk dat ik besta. Dat is het. Denken we niet allemaal dat we bestaan? Alles is illusie.
Gek genoeg ben ik nu degene die niet meer denkt en niet meer bestaat, dankbaar. Als ik niet naar zijn begrafenis was geweest, had ik mijn portemonnee gewoon bij me gehad en zou ik deze wijze levensles hebben gemist. Dank je, Gijs.

Toen ik vanmiddag, mét portemonnee, een boodschap deed, stond ik achter een wat oudere vrouw in de rij voor de kassa. Ze had haar mouwen opgestroopt, zodat de tatoeage op haar onderarm goed zichtbaar was. Tot mijn stomme verbazing las ik de tekst die ik vanochtend in aangepaste vorm hoorde: cogito ergo sum. Dit keer precies zoals Descartes het ooit heeft gezegd: ik denk, dus ik besta.

Toch vind ik de tekst van de filosofische straatveger tien keer beter dan die van de grote geleerde.