Spelletje van het universum?

img086

Begin van de avond, zeven uur. Ze ruimt net de laatste resten van de afwas op als de bel gaat. Ze pakt werktuiglijk de portemonnee uit haar tas en doet de deur open. De vrouw met de rode collectebus kent ze wel. Zo’n zes keer per jaar belt Ria aan voor een collecte. De goede ziel. Zelf heeft ze het ook niet makkelijk, ‘maar een ander kan het nog moeilijker hebben’, is haar stelregel. Terwijl ze een muntstuk door de brede gleuf laat glijden, vraagt ze: “Alles goed?” Ria heeft op dat sein gewacht en brandt los. Over de moeilijkheden thuis. Ziek en zeer, en de krappe beurs. Maar ook dat ze goede hoop heeft dat ze met de kerst uit de schuldsanering zullen zijn. En dat ze bijna klaar is, nog drie adressen. Het is koud en donker, het wordt tijd om het rondje af te maken en naar huis te gaan.

Ze draait de deur op slot. Deze vrouw kent ze al zo lang. Ze heeft Ria’s zoon in de klas gehad. Een bijzondere jongen. Geen geweldige leerling, maar aardig. Té aardig, misschien? Beïnvloedbaar, dat ook. Af en toe komt ze Peter nog wel eens tegen. Hij is altijd vriendelijk, net als zijn moeder. Al lang het huis uit, maar hij heeft nog steeds zijn leven niet op orde. Gelukkig is het uit met zijn vriendin, vertelde Ria bij een van de vorige collectes. Die had hem het ziekenhuis in gestoken.

Altijd zijn er moeilijkheden geweest. Toen Peter nog maar tien jaar was, overleed zijn vader aan kanker. Het heeft de jongen voor het leven getekend. De nieuwe man van Ria is een goeierd, maar heeft niet al te veel in zijn mars. Geen echt probleemgezin, meer een gezin met problemen. Het nakomertje, de halfbroer van Peter, leert moeilijk en gaat naar een speciale school buiten de streek. Het is altijd sappelen. Kleine baantjes, een krantenwijk, schoonmaken. Maar wel de wil om het zoveel mogelijk zelf op te lossen. Wat niet altijd lukt, uiteraard. Je zou het ze zo graag gunnen.

Hoe lang is het nu geleden dat Peter bij haar in groep acht zat? Achttien jaar? Ze komt hem wel eens tegen. Altijd zwaait hij vriendelijk. Hij zwerft van het ene onderkomen naar het andere. Er hangt een zweem van onvermogen om hem heen.

Ja, de collecte voor het Leger des Heils brengt heel wat gedachten op gang.

Dan wordt het vijf december, Sinterklaas. Is dat niet het feest van elkaar anoniem ergens mee verrassen? Van geld door een raam gooien, zodat het precies in de schoentjes van drie maagden terecht komt? Ze zal een briefje van twintig in een envelop doen en bij Ria in de brievenbus gooien. Simpel gedichtje erbij, groeten van Sint. Geen haan die ernaar kraait. Ze woont in de buurt, dus het is zo gepiept.

Het is avond. De envelop ligt klaar. Er zit niets meer in haar portemonnee, dus maakt ze aanstalten om naar de pinautomaat te lopen. Dan gaat de bel. Ze doet open en kijkt in het verlegen lachende gezicht van Peter. Ze heeft hem zeker een jaar niet gezien. Nog nooit heeft hij bij haar aangebeld. Ze kijkt hoogst verbaasd. Nog verbaasder is zij, wanneer het tot haar doordringt welke vraag hij haar stelt: “Juf, heeft u misschien twee tientjes voor me? Ik ben helemaal blut en dinsdag krijg ik weer geld, dan betaal ik u meteen terug.” “En je moeder….?” “Mijn moeder heeft ook geen geld, niemand heeft geld…”, klinkt het mat. “Kan het? Twee tientjes? Ik zal mijn identiteitskaart bij u achterlaten als u wilt….”

Ze begrijpt er niets van. Wat is dit voor spelletje dat het universum met hen speelt? Twee tientjes, twintig euro had ze in gedachten voor zijn moeder. Ze zegt hem, dat ze het de volgende dag voor hem heeft klaarliggen. De zoon heeft het misschien nog harder nodig? “Voor eten”, zegt hij nog, “en de huur.” Hij wrijft zijn koude handen. “Wil je wat eten?”, vraagt ze, “heb je honger?” “Nee, dank je wel, juf. Ik ga. Je krijgt het echt dinsdag terug. En fijne Sinterklaas. Tot morgen.” Met hoog opgetrokken schouders beent hij weg in de donkere avond, god mag weten waarheen.

En zij is nog steeds niet van haar verbazing bekomen.

——————————————————————————————————————-
De volgende ochtend pint ze twintig euro. Om tien uur staat hij op de stoep. Ze tekenen een contractje en spreken af dat dit een eenmalige actie is. Gehaast fietst hij weg. “Voor eten?”, denkt ze, “voor de huur?” Twijfel bekruipt haar.

Ze maakt een kop thee. Blindelings pakt ze een zakje uit de doos. En weer speelt de verbazing haar parten.

20151206_093644

——————————————————————————————————————-

De namen zijn gefingeerd.

Lady in Red

WE-300 is een schrijfuitdaging van Plato (http://platoonline.wordpress.com). Schrijf een verhaal in 300 woorden waarin een bepaald woord niet mag voorkomen. In dit geval is het verboden woord: boeien.
Lady in Red is het vervolg op Wladiwostok (http://wp.me/p36K0e-8r)

DSC08009

Op het eerste gezicht zou je denken dat de vrouw in de rode tafzijden japon sliep. De hand met de waaier rustte in haar schoot. De voile van haar kokette hoedje was teruggeslagen. Het chique damestasje stond op de bank tussen haar en de vrouw met de rode koffer. De coupé was vol, het was warm. Ze had de ogen gesloten omdat het haar allemaal te veel werd. Het hele leven werd haar wat te veel.
Het landgoed was niet meer te onderhouden met de prijzen van tegenwoordig. De verf bladderde van de kozijnen en de tuin was één grote woestenij. Haar Tuinier had ze aan het begin van het jaar al moeten ontslaan. Vandaag zou ze met haar zuster overleggen hoe het verder moest.
Tien minuten vertraging. Ach, haar hele leven verliep traag. Sinds de dood van haar man had ze het gevoel dat ze in een stroperig universum ronddwaalde.
Ze keek op. De vrouw die net was binnengekomen plofte met een stuurs gezicht op de plaats tegenover haar en rommelde in haar rugzak. Ze ging toch niet de hele weg zitten bellen? De twee dames bij het raam begonnen een gesprek. Ze ving wat flarden op.… gebroken vaas, spijlen van het bed…. Ze kon er geen touw aan vastknopen. Een van de twee haalde een sleuteltje tevoorschijn. De vrouwen barstten in lachen uit.
Het was meer dan ze kon verdragen. Hoe lang was het wel niet geleden dat zíj de slappe lach had?
De trein minderde vaart. Bij deze halte ga ik eruit, dacht ze. In haar vertwijfeling wilde ze een statement maken. Laten zien dat ze nog bestond. Ze griste de vrouw het sleuteltje uit handen en stopte het in haar bh. Schielijk sloeg ze de voile voor haar gezicht, zodat niemand kon zien hoe ze kleurde.

Geïnspireerd geraakt door de reactie van hennie van ee (http://ongerijmd.wordpress.com/) schreef ik: Lady in Red.

Deel 1: Wladiwostok http://wp.me/p36K0e-8r
Deel 3: Aan de Poort http://wp.me/36K0e

Op reis met Bram

De oude vriendin ligt in het ziekenhuis. Longontsteking. Natuurlijk ga ik haar bezoeken. Je hoeft niets mee te nemen hoor, op mijn vraag. Wel neem ik tulpen mee. Mooie, kreukelige roze, met een wit randje langs het blad.

Samen met Bram stap ik in de auto. Na de sneeuw van die ochtend, nu zon. Nat, spiegelend asfalt. Hoewel ik de route ken, naar Den Haag, ben ik toch blij met iemand die de weg weet. Geduldig legt hij me uit dat ik links moet aanhouden. Neem de afslag, zegt hij tot drie maal toe. Vind je het goed als ik even wacht tot we die vrachtwagen zijn gepasseerd? Het maakt hem niet uit. Wat zeg je nou? Keer om en sla linksaf? Nee, dat kan niet kloppen. Ik kijk stug voor me uit en neem de afslag naar rechts. Zie je wel. Hoor ik nu een vinnige stem: Houd links aan? Nee toch, we zouden er een gezellige middag van maken.
We passeren de haai, langs de A4. Vermomd als finishvlag. Er daalt een airbus. Jaren ‘80 muziek op de radio. Sade met Smooth Operator. Een genoeglijke middag.

ResizeImage

Den Haag Zuid. We zijn er bijna. Maar eerst nog een sightseeingtour door Den Haag, blijkbaar. Is het echt nodig via de Veenendaalkade te rijden? Ik volg gedwee de suggesties op. Aan het einde van de weg rechtsaf, op de rotonde rechtdoor: de tweede afslag. Bijna geef ik de moed op. Dan, wachtend voor het stoplicht (rechtsaf, jahaa, even wachten, het is rood!) zie ik een enorme bouwput, waarachter ik het ziekenhuis vermoed. En ja hoor, wanneer we de weg zijn overgestoken zie ik wat ik tegelijkertijd hoor. Een opgewekte stem roept: Bestemming bereikt. Dank je wel Bram.

Vriendin ziet er klein uit in het ziekenhuisbed. Blij met de tulpen – haal niet al het groen eraf hoor, dan zien ze er zo zielig uit – en de dichtbundel. Het medisch verslag houdt ze zo summier mogelijk; de kuil in het matras stoort haar nog het meest. Misschien vóór het weekend al naar huis. Ja, ik lees hier alleen maar niemendalletjes. En Van Gogh in de Beurs van Berlage, zou dat er nog van komen? Natuurlijk. Eerst helemaal opknappen en dan plannen maken. De bezoektijd wordt ruimschoots overschreden.

Bram brengt me in no time op de snelweg. Dus het kan wel. Ik zeg het maar niet hardop.
Denken doe ik des te meer. Hier zit ik in de auto met een postume stem. Vanuit het universum wijst Bram me de weg. Geen wonder dat hij zo geduldig is.