Neva-kleurig

Altijd reuring, уходы, zoals het daar heet
Langs de Nevski Prospekt
Het verkeer raast langs de brede trottoirs

Mooie jonge meiden
Lang blond haar, bleke smoeltjes
Precies de goede kleding
Hip, kort, strakke broeken zonder scheur
Flaneren in een wolk van parfum
Zonder zwikken op stilettohakken

Jongens met zwarte leren jasjes
Het sluike haar over het voorhoofd
Snelheid in hun pas
Keurende blikken

Oudere dames, de Moeders van Rusland
Grote boodschappentassen aan de arm
-Waar zijn die mooie meisjes van vroeger?-
Gebloemde hoofddoek over grijze krullen
Gezichten verzacht tot glimlach

Mannen, pet en snor, doorleefde koppen
Een bobbel in de borstzak
– Dorst komt altijd onverwacht –
Wijde broeken, vale jacks
Sigaret, die eeuwige sigaret
Zij lopen niet- zij bezetten de bankjes

In strak gesneden maatpak
Snelt de jonge zakenman voorbij
Aktentas, snelle schoentjes, duur horloge
Aftershave ruikt overal hetzelfde
Een afspraak, vergadering
Tijd is geld, dat is te zien

Maar dan de kinderen
Dansende dartele meisjes
Stevig stappende jongens
Dikke jassen aan en mutsen op
– Want september –
Vrolijk aan de hand van moeder

In de bleke gezichtjes
Vallen de grote ogen op
Donker, ondoorgrondelijk
Vriendelijk, terughoudend
Gedecideerd, vragend
Leningrads of Petersburgs
Maar Neva-kleurig

Neva-kleurige ogen
In mooie kindergezichten
Afkomst verloochen je niet

——————————————————————————————————————-

Lees ook: Het Rode Plein: https://wp.me/p36K0e-Wm

Ontmoedigend Overweldigend: https://wp.me/p36K0e-Ih

Trojka: https://wp.me/s36K0e-trojka

Moedertje Wolga: https://wp.me/p36K0e-No

Advertenties

En dan naar Izmir!

Over een dolmuş, een geit en een verzonken stad.
Vervolg op: Naar Turkije!

We hadden Istanboel wel zo’n beetje gezien. Dus gingen we, volgens plan, richting Izmir. Met een dolmuş reden we vanaf het centrum naar de rand van de stad. Daarna kregen we eerst enkele korte liften. Veel Turken vonden het wel interessant om buitenlanders mee te nemen in de auto. Zo konden ze hun talen een beetje oefenen. De oudere Turken, daar kwamen wij al snel achter, spraken bijna allemaal een mondje Frans. De veertigers oefenden zich suf op Duits. Met het oog op hun toekomst als gastarbeider (ja, dat mocht je toen nog gewoon zeggen) in Europa. Uiteraard gold dit alleen voor de mannen.

Halverwege kregen we een lift in een oude stadsbus, die voor dat doel al lang niet meer diende. Dat het een oud beestje was, merkten we tegen de avond. Na enig onheilspellend gepruttel en gebonk hield de motor er abrupt mee op. Iedereen bemoeide zich ermee, maar niemand wist wat te doen. De nacht viel snel in en er was geen enkele kans meer op een andere lift. Het was stikdonker op de weg en er reed niets meer.
We zeiden dus geen nee tegen de uitnodiging om maar in de bus te gaan slapen en de volgende morgen te zien wat er verder zou gebeuren. Behalve de chauffeur reed er nog een stel boeren mee. Op weg naar de markt, vermoedden wij, gezien de kisten en dozen tomaten, uien, pepers en aubergines die her en der in de bus stonden. De geit kon buiten blijven, aan een touw. Midden in de nacht, waarin ik toch al niet echt lekker ontspannen sliep, moest ik met alle macht en door flink te meppen diverse handen van me afhouden. Mijn vriend had al leren schelden in het Turks en dat kwam enorm goed van pas. De rust keerde weer, maar ik deed geen oog meer dicht.

De volgende ochtend stonden we al vroeg aan de kant van de weg. De man die met zijn oude amerikaan stopte, maakte ons duidelijk dat we konden meerijden tot Izmir. Een buitenkansje.
Hij bleek burgemeester te zijn van een klein dorpje vlakbij Izmir, waar hij de eigenaar was van de waterput. Als we wilden, waren we van harte welkom om een paar dagen bij hem en zijn gezin door te brengen. We namen de uitnodiging graag aan, maar eerst wilden we nog wat van de ruïnes van Izmir zien en al gauw stapten we uit. We beloofden om diezelfde dag nog naar hem toe te komen.

Zon, rust en stilte. Het hete zand trilde van de warmte. Terwijl we de weg overstaken naar de baai, kwam een rode eend de bocht om en door het open dak hoorden we een onvervalst gvd schallen. En wij maar denken dat we de enige Nederlanders waren in dit exotische, zonovergoten land.

We slenterden langs de baai. Al snel hadden we door dat er iets bijzonders te zien was in het kabbelende water. Keien, brokken steen en… muren. We zetten de bagage in het zand en liepen door het lauwe water over een oude stadswal. Zeewier wiegde zachtjes heen en weer. Kleine visjes zwommen rond onze voeten. Het licht speelde met de golfjes. Dit was geluk! We maakten foto’s; we hadden niet voor niets vier Ilford-rolletjes van zesendertig opnames meegenomen.

De man die naar ons toe kwam, was netjes gekleed: grijze terlenka broek, wit overhemd. Hij riep vanaf het strand. Het vreemde gebaar dat hij maakte – hij zwaaide met zijn rechterhand alsof hij ons wilde duiden verder weg te lopen – hadden we gelukkig al eerder iemand zien maken, zodat we wisten dat het betekende dat we juist naar hem toe moesten komen. In zijn beste Frans en met handen en voeten deed hij een heel verhaal. Hij was projectontwikkelaar begrepen we, een beroep in opkomst. Hier aan deze baai zou hij grote hotels laten bouwen. Voor het toerisme. En hij wilde een luxe folder laten drukken. Met foto’s. En of wij misschien zo vriendelijk wilden zijn…? Hij zou de prijs van het fotorolletje betalen en we kregen een maaltijd op zijn kosten.

Nadat hij de precieze plek had aangewezen en ons had verteld van de verzonken stad, waarvan we al over de muurtjes gelopen hadden, maakten we wat foto’s. We zorgden ervoor de baai mooi uit te laten komen. Zwart-wit, dat wel. Maar dat vond hij prima. Verder liet hij het aan ons over en hij voegde zich bij zijn compagnons in het theehuis. Hij zat er gelukkig nog toen we na een half uur terug kwamen. We overhandigden hem het rolletje. En wij kregen thee en een maaltijd. Daarna bracht hij ons met zijn auto naar het naburige dorp.

Naast de waterput stond inderdaad een landelijk huis. We liepen er omheen en daar zagen we een groep mensen bezig tomaten in kisten te pakken. De burgemeester begroette ons uiterst vriendschappelijk, alsof we elkaar al jaren kenden en stelde ons met trots voor aan de anderen, zijn vrouw, kinderen en personeel. Toen kregen ook wij een stapel kisten om te vullen. Daar zaten we, in het gras, in de schaduw van de moerbeibomen. De tomaten geurden zoals we nog nooit hadden geroken. Wat was het heerlijk ontspannend om zo gedachteloos bezig te zijn. Het voelde alsof we nooit iets anders hadden gedaan.
Het kweekschoolexamen lag al eeuwen achter ons. Daar hadden we al tijden niet meer aan gedacht. Dit was pas leven!

Zo voegden we weer een aantal verrassende ervaringen toe aan onze toch al bijzondere vakantie.
En nooit had ik gedacht dat ik daar vijftig jaar later nog eens een blog over zou schrijven.

Wordt vervolgd.

Naar Turkije!

Vijftig jaar geleden trokken we liftend naar Turkije. Thé place to be. Onze ouders zullen best in de rats hebben gezeten; zowel wat betreft de manier van reizen als de bestemming. Wij waren negentien en zagen geen gevaar. Sterker nog, dit was avontuur van het zuiverste water. Wij konden straks vertellen hoe het was daar, in dat verre exotische land.
Driehonderdvijftig gulden hadden we gezamenlijk verdiend met vakantiewerk en dat bedrag moest volstaan om drie weken vakantie te vieren. Zo niet, dan zouden we wel wat werk zien te vinden.

In een lege touringcar – onze laatste lift – reden we, via de grauwe, unheimische, streng bewaakte grenspost Edirne, Turkije binnen. De bestemming van de bus was een hotel in het centrum van Istanboel, waar Oostenrijkse vakantiegangers moesten worden opgehaald. De vraag werd al snel in gebroken Duits gesteld: willen jullie werken in het hotel? Voor kost en kamer? Groot gebrek aan personeel was een voortdurend probleem. Dat kwam goed uit. Na een nacht op een keihard bed, voorzien van niet al te schoon beddengoed (we zouden de volgende dag al ontdekken hoe dat kwam) en na ons “gewassen” te hebben onder een roestkleurig haperend straaltje (de douche was nu nog kapot, maar morgen was er misschien weer warm water) togen we na een ontbijtje van brood en jam aan het werk. Bedden afhalen en de lakens opstrijken. Heel goor werk, omdat ze van het bed rechtstreeks op de strijkplank belandden; de gasten hadden leuke nachten gehad. ’s Avonds schonken we, in de bar op het dak, biertjes in voor luidkeels van heimwee zingende Oostenrijkers.

Als er overdag plaats was bij een excursie, mochten we mee. Zo kwamen we onder andere in het Topkapi museum en zagen we de Blauwe Moskee en de Aya Sophia. We struinden door smalle steegjes. Aaiden schurftige katten. Zagen wat armoede was. Op de bazaar genoten we van geluiden, geuren en kleuren en lieten ons de maat nemen. Nog steeds moet ik daar bij een aardige kleermaker een groen leren jasje ophalen………

Toch wilden we verder. Het werk werd vervelend. Het personeel was heel aardig, maar ook wel wat opdringerig. De koks, Ali en Mehmet, stopten ons voortdurend vol met lekkere hapjes; zij vonden ons veel te mager. Maar we kregen er toch genoeg van. We wilden meer zien van het land. We hadden nog maar twee weken. Daarna zou ik me moeten gaan voorbereiden op mijn eerste baan voor de klas.

Naar Izmir, was het plan. Het was niet moeilijk om een lift te krijgen, integendeel, de ritjes werden ons vaak opgedrongen. Dat kwam natuurlijk ook goed uit, maar voor ons hoefde het ook weer niet al te snel, we wilden eerst deze bijzondere ervaring verwerken.
We reden in relaxt tempo met ezelskarren, sukkelden over de weg in stokoude taxi’s, brachten zelfs een nacht door in een gammele lijnbus, toen die er na uren hikken en rammelen mee ophield. We werden uit een vrachtwagen gezet toen de bestuurders gingen proberen hun kapotte vehikel weer aan de praat te krijgen, maar werden direct opgepikt door een rijke, beringde Turk in een snelle luxe auto.

We hadden enorm genoten van ons avontuurlijke verblijf in Istanboel. We hadden kennis gemaakt met vriendelijke mensen. We hadden ons vergaapt aan de prachtige oude moskeeën. We hadden nieuwe gerechten geproefd. Niet allemaal even smakelijk (de schapendarmensoep had wat mij betreft niet per se gehoeven, maar nee zeggen tegen de uitnodiging zou vreselijk onbeleefd zijn geweest.) We dronken heerlijke zoete thee uit met goud versierde glaasjes. En daarbij aten we simit, kleine ronde broodringen met sesamzaad.

Laatst las ik ergens dat Tayyip Erdogan als dertienjarig jochie in Istanboel straatventer was. Dat hij precies in de tijd dat wij daar waren achter een glazen karretje gevuld met simit over de hobbelige straten liep. Dat hij daarmee een poging deed zijn arme ouders te helpen.
Nog steeds vraag ik mij af, of we niet heel toevallig bij hem……. Het zou inderdaad wel heel toevallig zijn.
Het lijkt nu wel, dat hij enorm zijn best doet om zijn armoedige jeugd en wat niet al, te overschreeuwen. Als je goed kijkt, zie je het straatvechtertje van toen. Klaarblijkelijk heeft hij niet geleerd, dat schreeuwen en op die manier je verhaal halen meestal averechts werkt. Dat je hiermee naast vrienden ook vijanden maakt. Ik hoop dat hij nog tot inzicht en inkeer komt.
Misschien zou het helpen als iemand samen met hem een glas thee zou drinken. En hem zou trakteren op simit. Dat ze zouden zeggen: “Weet je nog?” Wie weet………………….
————————————————————————————————
‘Naar Turkije’ wordt vervolgd.

(Ik heb hiermee niet de bedoeling een politiek statement te maken. Het wordt een reisverhaal, maar het gegeven diende zich aan.)

Geen sprookje

narcis-13klein

Met haar rug tegen het tuinhekje geleund genoot ze van de vroege zonnestralen die vonken schoten uit haar rode haar. De vogels stuurden adembenemende trillers door de ochtendlucht. Bloesemblaadjes dwarrelden omlaag. Ze ving er een paar in haar uitgestrekte hand en zuchtte. In haar hart groeide een groot verlangen, maar ze wist niet waarnaar. Een onbestemd gevoel. Onrust, gecombineerd met een loom, relaxt gevoel. Ze wilde opspringen, rennen, dansen, lachen, schreeuwen. Tegelijkertijd liet ze zich omlaag glijden tot ze bijna in het hoge gras verdween. Ze spreidde haar armen en benen, sloot haar ogen en ademde diep. O, wat hield ze van dit leven en wat haatte ze het!

Er dreunde al dagen een zin door haar hoofd: De tijd van de sprookjes is voorbij. Dat zei oma vorige week toen ze samen in de tuin aan het werk waren. “Ja kind”, zei ze, “je wordt groot. En dat zal helemaal snel gaan wanneer je na de zomervakantie naar de middelbare school gaat.” Ja, dat wist ze wel. Dat zag je aan Wolfgang. Die deed steeds zo stoer, met dat fietsje van hem. Een nieuw leven; ze zag ertegenop en tegelijkertijd keek ze ernaar uit. Haar moeder vond dat ze begon te puberen. Ze werd dwars en deed niet meer klakkeloos wat haar werd opgedragen. Mocht ze misschien zelf eens gaan onderzoeken hoe het leven in elkaar zat?

Oma veranderde ook. Nog even lief als vroeger, maar stiller, beschouwender. Ze vertelde niet zoveel meer. Vroeger, ja toen kon ze uren vertellen. En zij geloofde alles. Heksen, reuzen, kabouters, het ging erin als de koek van het huisje van de heks van Hans en Grietje. Als vrouw Holle de dekbedden opschudde, begon het op aarde te sneeuwen. Als je een kikker kuste, werd hij een prins. Een prins op een wit paard. Nu geloofde ze het allemaal wel. Ze was er een beetje klaar mee. Oma werd oud, zij werd groot.

“Ruby!” Natuurlijk. Ze had erop kunnen wachten. Altijd als ze diep in zichzelf was verzonken, riep haar moeder. Met tegenzin kwam ze overeind. Ze trok haar kleren recht en slenterde over het grindpaadje naar huis. “Wat is er?” “Ach meid, oma heeft net gebeld. Ze voelt zich al dagen niet lekker. Wil je niet even bij haar langs gaan om te zien of je wat voor haar kunt doen? Neem in elk geval het restje appeltaart mee.” “Ook toevallig, ik lag net aan haar te denken. Ik fiets er wel even naar toe.”

Het stadspark sluimerde in het zonlicht. Het jonge groen van de berken stak scherp af tegen het heldere blauw van de lucht. In het gras stonden de narcissen in bloei. Ze keek om zich heen: niemand. Snel smeet ze haar fiets tegen een boom en plukte een flinke bos. Trompetnarcissen. Dat had oma haar geleerd. Als klein kind had ze altijd gedacht dat kabouters op die trompetjes bliezen. Een concert midden in de nacht. Nu wist ze over kelk- en kroonbladen. Stampers en meeldraden. Een hommel verdween zoemend in een bloem.

“Wat doe je? Vakantieklusje bij de plantsoenendienst?” Ze keek op. Recht in het pukkelige gezicht van Wolfgang. Hij kon het niet laten zijn neus in andermans zaken te steken. “Ja, wieden, zoals je ziet. En jij?” Met een ruk trok Wolfgang zijn voorwiel omhoog en liet zijn fiets steigeren. “O, beetje rondrijden. En kijken wat kleine meisjes zoals jij uitspoken.” “Nou kijk dan maar goed. Ik jat deze bloemen voor mijn oma. Als je me maar niet verraadt, met die grote mond van je. Heb je me gehoord?” Hij snoof en veegde met zijn hand langs zijn neus. “Als ik met je mee mag.” “Naar oma? Ben je gek. Je weet je vast niet te gedragen. Ze is trouwens ziek.” Ze schudde haar rode haar, rechtte haar rug en liep traag terug naar haar fiets. “Ik denk niet dat jij een goed effect op haar gezondheid hebt”, riep ze over haar schouder, “bovendien heb ik maar een klein stukje appeltaart.” Ze liet de narcissen voorzichtig in haar fietstas glijden. “Ah, Rubs, ik vind je oma aardig. Ik zal me gedragen. Doen wie er het eerste is?” Hij liet zijn voorwiel stuiterend op straat terecht komen en spurtte weg. “Tjongejonge”, dacht ze, “eikel!”

Het lukte haar niet hem in te halen op haar opoefiets. Onderwijl probeerde ze haar strategie te bepalen. Gastjes zoals Wolfgang moest je niet teveel aanmoedigen. Ze zou hem maar een beetje negeren. Hij dacht dat hij heel wat was, nu hij in de brugklas zat, maar hij bleef een klein uitslovertje. Ze moest er een beetje om grinniken. Er zat wat in, wat haar moeder zei: “Eén vrouw is tien mannen te slim af.” Ze had hem door, maar ze zou het niet laten merken.

Toen ze haar fiets tegen die van Wolfgang zette, tegen het raam, zag ze hem al zitten. Oma kende hem wel. Ze moest vreselijk lachen om iets wat hij had gezegd, blijkbaar. Nou, heel ziek zag ze er in elk geval niet uit. Als vanouds liet Ruby zichzelf binnen met het touwtje dat door de brievenbus stak. Daar moest oma toch echt mee ophouden. Veel te gevaarlijk.

“Oma, bloemen! En taart! Hoe gaat het?” Twee zoenen op de rimpelige wangen. “Ha kind, fijn dat je er bent. Wolfgang zei al dat je de mannen van de plantsoenendienst had geholpen. Echt aardig dat ze je die bloemen cadeau hebben gedaan.” Ruby kuchte en zette het bakje met de appeltaart op het tafeltje en liep naar de keuken om schoteltjes en een mes te halen. Wolfgang voerde het hoogste woord. Hij slokte oma’s aandacht volledig op. De ene mop na de andere rolde uit zijn mond. Eindelijk stapte hij op. “Later!”, riep hij, met een gekke bek naar Ruby. Hij wurmde zijn fiets achter die van haar vandaan en sjeesde weg. Ze zuchtte eens diep.

Oma keek haar aan, legde een hand op haar knie. “Kijk uit voor die Wolfgang, Ruby”, zei ze met een grijns, “hij vindt je leuk. En hij kijkt naar je of hij je wel kan opvreten….”

——————————————————————————————————————-

De foto komt van het internet.

Zonder haar

whisky-fles-met-glas-216x300“Leuk!” Heel overtuigend klonk het niet. Vanonder zijn zware wenkbrauwen keek hij naar het gebogen figuurtje tegenover hem. De gids van het reisbureau lag open voor haar op tafel. Haar donkere haar glansde in het lamplicht. Ingespannen las ze de gegevens. Waarom liet ze dat knopje van die pen niet met rust? Hypernerveus werd hij van dat geluid. Plotseling keek ze hem aan: “Het klinkt of je het niet meent.” “O, ja hoor”, sprak hij afwezig, “best leuk. Alleen…”
Hij maakte zijn zin niet af. Expres. Hij wist dat hij haar hiermee in verwarring bracht. Hij wist dat haar gedachten nu koortsachtig rondtolden door haar hoofd. Dat zij probeerde te bedenken waarom hij zo vaag deed. Of er wat was. Ze vroeg het niet. Nóg niet, maar hij wist dat het zou komen. En daarna zou het weer als vanouds gaan. “Niks! Er is niks!”, zou hij haar toeschreeuwen. Hij zou een dubbele whisky inschenken en daarna nog één en nog één… Zij zou in huilen uitbarsten en de brochure door de kamer smijten. Ze zou roepen dat ze helemaal geen zin meer had in die klotevakantie. En dan waren ze weer waar ze ieder jaar rond de kerstdagen belandden. Uiteindelijk boekte hij gewoon waar hij zin in had: niet te ver van huis, geen drukte en vooral geen vertier. De vakanties kwamen ze in stilte door.

Hij haalde diep adem en wachtte op haar voorspelbare reactie. Hij pakte een glas en schonk zich maar vast in. Hij zou het nodig hebben.
Toen ze zich naar hem omdraaide wist hij wat er komen ging. De ogen zouden vuur spuwen. Ze zouden zich langzaam vullen met tranen. Het anders zo bleke gezichtje kreeg kleur. De onderlip ging trillen. En….

Ze stond op. “Drink jij tegenwoordig alleen?” Uit de kast pakte ze een whiskyglas en schonk zich in. Een dubbele zag hij. Nooit dronk ze “dat bocht”. Altijd witte wijn. Ze nam een flinke slok. Of het water was. Hij zag de tranen in haar ogen springen. Ze keek hem recht in het gezicht. De hand die ze op zijn arm legde, trilde niet. “Sven”, zei ze schor. Hij slikte. Wat gebeurde er? “Sven, ik heb geen zin om dat spelletje nog langer te spelen. Ik heb geen zin meer om de schijn op te houden. Al jaren probeer je mij met je gemanipuleer te beletten eens een andere vakantiebestemming te kiezen. Jij wilt weer naar dat eeuwige, saaie, oubollige kuuroord: ga dan ook maar. Je krijgt je zin. Maar zonder mij. Ik kan wel wat leukers bedenken. Als je het weten wilt, ik heb al een reisje naar de Cariben geboekt. Met Gerard.”

Alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Hoe had hij het nu? Zelf geboekt? Met Gerard? Dat broekje van haar werk? Dit ging helemaal de verkeerde kant op. Dit was totaal niet hoe hij het zich had voorgesteld. Geen geschreeuw, geen gehuil. Maar wel een ellenlange monoloog, voor haar doen. Zij die altijd zo stil en meegaand was. Zo was de lol er voor hem helemaal af.
“Maar…”. Hij kreeg niet de kans om zijn zin af te maken. De kamerdeur werd met een knal dicht gesmeten. Voeten roffelden de trap op. Hij rende achter haar aan, greep haar bij een arm, een vreselijke gil en…..

Toen hij weer bij zinnen kwam, drong de gruwelijke waarheid met een schok tot hem door: gezamenlijke vakanties waren voorgoed verleden tijd.
IJzig kalm draaide hij het alarmnummer en bracht de goudvissen vast maar naar de buren.

——————————————————————————————————————-

De foto komt van het internet.

Referentiekader

img101

Liftend waren we zover gekomen
Thessaloniki, een tussenstop
Het reisdoel was Turkije
Maar deze stad was een goede voorbode

De chauffeur van de vrachtwagen
Hielp onze bagage afladen
En trakteerde ons in een kleine taverne
Handen- en voetentaal
Moeder achter het fornuis
Stoofpot en knapperig brood
Fris water
En wijn met de smaak van hars

Wij slenterden langs de boulevard
Onbekende geuren
Zwoele warmte
Muziek om van te houden
Dansende mensen midden op straat
Alles was nieuw, ik was erbij
Maakte het intens mee
Toch is mijn geschiedenis
In een waas verpakt

De foto in de krant port mijn geheugen wakker
Nee niet die onafzienbare rij hotels

Maar ronde broodjes met sesamzaad
Soldaten marcherend door de straten

Eind zestiger jaren
En ik was half zo oud
Als mijn dochters nu

Gek genoeg

Vriendin MD en ik spraken een aantal jaren geleden af, dat we op een keer woest en onstuimig zouden gaan leven. Ooit. Hoe dat leven eruit zou gaan zien, ja daar hadden we geen idee van. Zelfs wisten we niet precies wat we ons moesten voorstellen bij woest en onstuimig. Helemaal niet erg natuurlijk, want als de tijd daar was zou dit vanzelf aan ons geopenbaard worden.

Om de een of andere reden kwam het maar niet uit de verf. Regelmatig herinnerden wij elkaar aan de afspraak. Op menig verjaars- of nieuwjaarskaartje werd de belofte ten overvloede genoteerd: “Van harte! In het kader van woest en onstuimig leven nodig ik je uit voor een film in het filmhuis.” Of: “Ik wens je een rustige kerst en een woest en onstuimig nieuw jaar.”

Woest en onstuimig leven; wie wil dat nou niet?

Het komt er uiteindelijk op neer dat wij dat, diep in ons hart, inderdaad niet willen. Of niet durven. Of dat we niet weten hoe het moet. Waarom leven wij het leven dat we al jaren doen? Gewoon, zonder al te veel gekke dingen? Wat weerhoudt ons ervan om de afspraak na te komen? Uitvluchten waren er tot nu toe genoeg. Zorg voor kinderen, ouders, drukke baan, maar die gelden niet of nauwelijks meer.

Nee, woest en onstuimig; het zal er niet van komen. En daar moeten we ons dan maar bij neerleggen. Als gevleugelde uitspraak zal hij het goed blijven doen, het staat leuk als kreet op een kaartje, maar meer moeten we ons er niet bij voorstellen.

Wel hebben we van tijd tot tijd bijzonder leuke uitjes. Een gewoon uitje wordt om een of andere reden doorgaans heel speciaal. Hoe dat komt is niet helemaal duidelijk, maar het is een feit. Een bezoek aan het Drents Museum, De Sovjet Mythe, wordt, ondanks de sneeuw, de kou en de vertraging op het spoor, een geweldige dag. We genieten van de kunst, de lunch in het uit Den Haag overgeplaatste café Krul en van een onverwachte ontmoeting op het station. Een strandwandeling, op een bewolkte middag, die zodra wij het strand op lopen, stralend zonnig wordt, is een cadeautje. We vinden krabbenschildjes en door het heiige weer zijn de windmolens niet zichtbaar. De film, waarvan we niet zeker wisten of hij de moeite waard was, bleek een schot in de roos. Het diner vooraf, in het Filmhuisrestaurant, ook. En de lijst kan nog worden aangevuld.

Het is maar één keer de mist ingegaan. Wij kregen van een kennis twee kaartjes voor een cabaretvoorstelling in het theater, waar zij zelf niet naartoe kon. Toen de pauze begon hadden wij nog niet één keer gelachen en bijna voortdurend met kromme tenen gezeten. We zijn weggegaan en hebben een goed glas wijn gedronken in een gezellig café. Dus uiteindelijk kwam ook dat uitje weer goed.

Ons laatste uitje was ontbijten op het strand. Om het begin van de vakantie te vieren. Het was prachtig weer. De broodjes waren vers, de koffie was goed. Dat er speculaasjes bij werden geserveerd namen we op de koop toe. Dat we uitzicht hadden op het windmolenpark ook.
Het enige onstuimige was de wind, die alle parasols uit de grond blies. En woest was alleen de persoon die daardoor werd geraakt.

Woest en onstuimig? Ach welnee. Wij doen maar gewoon, dat is al gek genoeg.

DSC07975

Overdenking tijdens de reis

Woestijnachtige vlakte
Witte wolkenzee
Hier en daar opstuivend
Hemelsblauwe plekken
In het wit
Als waterbekkens
Zandbanken

In de diepte
Donkere kloven
En nog dieper
Het land en de mens

Boven hen verheven
Weet ik mij
-Tijdelijk slechts-

God in zijn eenzaamheid
Hierboven
In eeuwigheid
Kent hij het verlangen
Naar zijn evenbeeld?

DSC07725