Ships that pass en een babypakje

Het is niet druk bij de baby-afdeling van de Hema. Wij zijn met zijn tweeën. De dame pakt een babypakje van het rek en voelt aan het mouwtje. Ik ben op hetzelfde uit. “Leuk hè, die vosjes”, zeg ik, terwijl ik de goede maat zoek. “Ja”, zegt ze, “maar ik twijfel. Het kindje wordt in juli geboren, is het dan niet te warm met die lange mouwtjes?” “Ach, er zijn altijd wat koelere dagen, het lijkt mij dat het wel kan.”

De vrouw kijkt me aan. “Mijn dochter is zwanger. Ik ben zo blij voor haar!” Haar ogen vullen zich. “Hè, nu schiet ik vol. Het is ook zo bijzonder. Eenenveertig en een kinderwens. Maar geen partner. Wel naar gezocht hoor, maar ach, het lukte niet. En nu is ze toch in verwachting. Van een heel aardige man, een homo. Ook alleen en met een kinderwens.” “O, wat fantastisch. Wat dapper ook, dat ze die keuze heeft gemaakt!” “Ja, en ze wonen – toevallig ook weer – niet ver van elkaar en ze willen het kind samen opvoeden. Maar ze gaan niet samenwonen, natuurlijk. Dus”, besluit ze, “dan moet ik nu ook twee pakjes kopen. Neutraal, want ze weten nog niet wat het wordt. Deze kan ook, toch?” Ik knik. “Ik heb nog drie kleinkinderen, waar ik heel blij mee ben, maar dit vind ik zo mooi, ik had het nooit verwacht. En, ik val in herhalingen, maar ik ben vooral ook zo blij voor haar.” Ze legt twee pakjes over haar arm en kijkt me aan. Ze is nog lang niet uitgepraat. “Mag ik u een kop koffie aanbieden?”, flap ik eruit. “Ja, leuk, graag! Dan reken ik dit eerst even af.”

Even later warmen we onze handen aan een grote kop cappuccino. Het gesprek gaat gewoon verder, of we al jaren goede vriendinnen zijn, terwijl we elkaar blijven aanspreken met ‘u’. Levensverhalen worden uitgewisseld. We herkennen veel van elkaar. De seventies, weet u wel. Raakvlakken zijn er meer dan genoeg voor een levendig gesprek. Over werk, opleiding, relaties. Bizar eigenlijk, dat we dat zomaar met elkaar delen, maar op een of andere manier voelt het heel vertrouwd. Het is ook grappig, er valt veel te relativeren en te lachen.

Na een minuut of twintig lepelen we de laatste restjes schuim uit ons kopje. We nemen afscheid. Misschien komen we elkaar nog weer eens tegen, maar zo niet dan is het ook goed.

Voor nu is het gedicht van Henry Wadsworth Longfellow heel toepasselijk. Zo benoemen we deze ontmoeting ook en wensen elkaar veel geluk.

Ships that pass in the night
And speak each other in passing
Only a signal shown and a
Distant voice in the darkness
So on the ocean of life we pass
And speak one another
Only a look and a voice, then
Darkness again and a silence

Als ik het over mocht doen….

DSC01607“Als ik het over mocht doen….” “Wat dan?”, vroeg ze gespannen, “wat zou je dan doen?” Hij staarde dwars door haar heen naar buiten. Het regende al de hele ochtend. Ze hadden alles gedaan wat ze elke zaterdag deden. Uitslapen, ontbijten, de krant lezen, koffie drinken. Die sleur…. Hij zuchtte. “Ach, niks. Overdoen is geen optie, toch?” Hij deed zijn best om neutraal te klinken en probeerde zelfs een glimlachje te forceren. Aan haar ogen zag hij dat het geen effect had. Hij had het zich niet moeten laten ontglippen. Hij zat al in een lastig parket; waarom moest hij het zichzelf nu nog moeilijker maken.

Hij haalde diep adem. “Als ik het over zou doen, dit kloteleven, dan zou ik nooit in dit gat gaan wonen. Sterker nog, ik zou een camper kopen en de wereld rondtrekken. Mijn kostje bij elkaar scharrelen met een baantje hier en daar. Ongebonden. Vrij…. “ Ze keek hem aan. Tranen stonden in haar ogen, maar ze verbeet ze. Huilen hielp niet. Ze was hem kwijt, zoveel was wel duidelijk. Hadden ze nu maar kinderen gehad. Ze legde haar handen op haar buik. Nooit zou ze weten hoe het voelde wanneer… Een onderzoek had hij niet nodig gevonden, bang als hij was dat het aan hem zou liggen. Nu was het te laat.

“Elsie is zwanger.” Hij zei het onbewogen, maar zij hoorde meer dan alleen die koude woorden. Elsie, haar beste vriendin, werd moeder. “Wie is de vader?”, wilde ze vragen, maar ze wist het antwoord al.

Ze vond zichzelf terug op een parkeerplaats in de Ardennen.
Toen alles nog mooi en goed was kwamen ze hier jaarlijks. Ze wist het kapelletje blindelings te vinden.

“Maria”, fluisterde ze. Woord voor woord, letter voor letter spreidde ze haar intense verdriet voor deze troostvolle moeder uit.

——————————————————————————————————————-
Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. De bedoeling is dat je een verhaal schrijft van 300 woorden, waarin het sleutelwoord niet mag worden genoemd. Deze keer was het verboden woord: spellen.
Meer lezen of zelf meedoen? Ga naar https://platoonline.wordpress.com/

Overstag

bezoekHet was maar een klein dorpje, dus je kon niet veel verborgen houden. Er werd gekletst. Over iedereen, maar de laatste tijd vooral over hem. Hij was zijn hele leven al een buitenbeentje geweest. Hij had zich erbij neergelegd. Veel zou er niet veranderen. Hij verdiende zijn brood met zijn handen; vakwerk leverde hij. Dat wist ook iedereen. Klanten had hij genoeg. Zelfs uit het buitenland kwamen bestellingen.

Hij tuurde door de open deur van de werkplaats. Nog nooit had wachten zo lang geduurd. Werken was beter, het gaf afleiding. Een moeilijk klusje eiste al zijn aandacht op. Voor even. De onrust nam weer volledig bezit van hem. Hoe had dit zo kunnen lopen? Eerlijkheid was zijn motto. Had hij zich vergist? Had zijn blinde vertrouwen hem parten gespeeld? Hij smeet zijn gereedschap op de grond. Hoe goed kende hij haar eigenlijk?

De reis duurde nu al een week. Naarmate ze dichter bij huis kwam, viel de tocht haar zwaarder. Familiebezoek, had ze tegen hem gezegd. Het was nog waar ook. Hij had haar bevreemd aangekeken: “Waarom nu?” Ze hadden wel wat anders aan hun hoofd. Ze had zich zo gelukkig gevoeld. Overweldigd. Had ze niets moeten zeggen? Het geheim moeten bewaren? Maar ze was toch altijd zo eerlijk geweest? Goeie genade, ze voelde zich bijna wanhopig. Waarom accepteerde hij het niet?

Hij nam een besluit. Als het dan zo was, dan moest hij zich er maar in schikken. Terwijl hij zich bukte om zijn hamer op te rapen, zag hij haar kleine voeten, onder het stof. Hij richtte zich op. Zag haar ogen die angstig, afwachtend keken, vanonder de blauwe hoofddoek.

Hij nam haar in zijn armen, teder als altijd. “Jezus, Maria”, fluisterde hij schor, “laten we dat kind een thuis geven.”

img047

——————————————————————————————————————–

Dit is een verhaal in de categorie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. Schrijf een verhaal van 300 woorden, waarin een bepaald woord niet mag voorkomen. In dit geval was het verboden woord: kerstpiekeren.

De illustraties komen uit het schitterende prentenboek: De Geboorte, van Julie Vivas

(N.B. Waarschijnlijk begrijpt iedereen wel dat Maria, blij verrast, haar aardse lover vriendelijk doch dringend verzocht zijn mond te gaan spoelen…..)