Een pond veren…

DSC09131

In zoveel gedaantes
Toont hij zich, de reiger
In het voorjaar
Met hongerige moed
Stoer stappend langs
De rijkgevulde slootjes
In de polder
Geduld, geduld
En dan snel en slikken
Een vis als adamsappel

Op zomerdagen
De vleugels uitgespreid
Een briesje onder de oksels
Soezend in zonnige weilanden
Maar altijd de blik op scherp
De krachtige snavel gereed

De herfst boetseert hem
Tot een gebogen oud mannetje
Geleund tegen de wind
Opgetrokken schouders
Slordige fladderveren op de borst
Het kuifje verwaaid

Een schreeuw
En dat is echt klapwieken
Wat zijn sterke vleugels doen
Pijlsnel en hoog
De ranke poten gestrekt
Voorzichtig neerstrijkend weer
Of hij op eieren landt

En nu dan winter
Een grijze dag
Langs het grijze asfalt
Een hoopje grijze veren
Een pond misschien
Maar vliegen is er niet meer bij

De vogel is gevlogen

——————————————————————————————————————–

Bert Schierbeek schreef ooit het gedicht:
een pond veren
vliegt niet als
er geen vogel in zit

Hoe waar dat is, heb ik vanmiddag ervaren toen ik de reiger vond. Hij zag er weerloos uit; de snavel verborgen. Geknakt en gebroken (in tegenstelling tot de kaardenbol….)
Ik houd van reigers. Hij rust nu onder een stenen vis in mijn tuin.

DSC09135

Advertenties

Leve de EEG!

Haagse tramHet asfalt glimt in het licht van de lantaarns. De ruitenwissers zwiepen heen en weer. Het licht springt op rood, een tram passeert. Terwijl ik me heel erg bewust ben van het heden – ik kom net van de crematie van een aardige oom, een van de laatste van de familie – voel ik toch hoe ik word teruggezogen naar de vijftiger jaren.

Het is net zo’n avond als nu: donker en koud, regen en wind. Ik ben elf jaar. Samen met een klasgenoot zit ik in de tram, op weg naar huis. We zitten achterin en weten niet goed waar we het over moeten hebben. In de klas, de zesde, spreken we elkaar eigenlijk nooit. Jongens en meisjes bevolken twee aparte werelden. Maar vanavond zijn we samen op pad.

Twee uur lang hebben we in een vreemd schoolgebouw aan een tafeltje zitten schrijven.
Het is 1958. De EEG is een feit. Uit alle zesde klassen van de Haagse scholen zijn twee leerlingen afgevaardigd om mee te doen aan een opstelwedstrijd, met als onderwerp: De Europese Economische Gemeenschap. Daar zit ik met een groot vel papier voor mijn neus. Mijn groengemarmerde vulpen – tot de nok toe gevuld – in mijn klamme hand. Wat moet ik schrijven? Ik heb er wel iets over gehoord, maar veel te weinig voor een goed betoog. Fantasie dan maar? Ik heb geen idee wat ik hier zit te doen. Om mij heen hoor ik gezucht. Het krassen van pennen. Neuzen worden opgehaald. Arend zit driftig te schrijven, zie ik. Ik doe mijn best.

Of het een goed opstel is geworden, weet ik niet meer. Wel voel ik een lichte opwinding, wanneer ik naast Arend in de tram zit.
De dag daarna valt er een briefje op mijn tafel: Wil je met me lopen? Leve de EEG!

———————————————————————————————————————

Dit is een bericht in de serie WE-300, een schrijfuitdaging van Plato. (Zie http://platoonline.wordpress.com/, hier kun je ook andere leuke, spannende, ontroerende verhalen lezen) In de tekst van 300 woorden mag een bepaald woord niet voorkomen, terwijl het duidelijk moet zijn dat het daar wel om draait. In dit geval was het verboden woord: verhalen

Zie in dit kader ook: De advertentie

De foto komt van internet.